LeerplatformKiezenonafhankelijke informatiesite

StartEisen opstellen

Heb je certificaten en toetsen nodig?

Het verschil tussen een deelnamebewijs, een toets die telt en een erkenning door een register. Deze vraag schrapt meer opties dan welke andere ook.

6 augustus 2026  /  5 minuten lezen  /  Eisen opstellen

Van alle vragen die je jezelf stelt bij het kiezen van een leerplatform, is deze de scherpste: wat moet er aan het eind uit komen? Het antwoord bepaalt of je kunt kiezen uit vrijwel alles, of uit een handjevol systemen.

Het probleem is dat drie heel verschillende dingen met hetzelfde woord worden aangeduid. Een pdf met een naam erop heet een certificaat. Een diploma na een examen met een cesuur heet ook een certificaat. En een bewijs dat meetelt voor een beroepsregister heet ook zo. Wie in een demo "certificaten" op een lijstje ziet staan, weet dus nog niets.

Niveau 1: het deelnamebewijs

Een document met de naam van de deelnemer, de titel van de cursus, een datum en jouw logo. Het zegt dat iemand meedeed. Het zegt niets over wat diegene kan.

Dit kan vrijwel elk systeem. De verschillen zitten in details die pas later opvallen. Kun je het ontwerp aanpassen, of moet je het doen met het sjabloon van de leverancier? Staat er een uniek nummer op en is dat later te controleren? Kun je het opnieuw genereren als iemand het kwijt is? Komt het automatisch of moet jij het versturen?

Vraag ook wat de voorwaarde is voor afgifte. Sommige systemen geven een bewijs af zodra iemand de laatste les opent. Dat is voor jou onhandig als een werkgever ernaar vraagt.

Niveau 2: de toets die telt

Zodra er een grens is waar iemand overheen moet, verandert het spel. Een quiz is een oefening. Een toets is een beslissing en een beslissing moet je kunnen verdedigen.

Wat je dan nodig hebt is meer dan een vragenfunctie:

  • Een vragenbak. Je beheert vragen los van de toets, zodat elke deelnemer een andere selectie krijgt. Zonder dat gaat een toets binnen een jaar rond.
  • Een cesuur die je zelf instelt. En zicht op hoe die wordt berekend bij vragen met meerdere goede antwoorden.
  • Een herkansingsregeling. Hoeveel pogingen, met welke wachttijd en krijgt iemand dezelfde vragen terug.
  • Zichtbaarheid van antwoorden. Ziet de deelnemer meteen wat goed was? Dat is prettig bij oefenen en onbruikbaar bij toetsen.
  • Een sluitend logboek. Wanneer is de toets gemaakt, hoe lang erover gedaan, welke poging was het.

Vraag in een demo altijd om een toets te zien mislukken. Wat gebeurt er als iemand halverwege de verbinding verliest? Kan hij verder waar hij was, begint hij opnieuw, of is de poging verbruikt? Dat is precies het geval waar je later een boze mail over krijgt.

Niveau 3: iets dat een ander erkent

Hier ontstaat de meeste verwarring, dus dit is het belangrijkste stuk van dit artikel: een leerplatform levert geen erkenning. Software kan geen accreditatie verlenen. Dat doet een beroepsvereniging, een register of een branchepartij en die kijken naar je programma, je docenten en je organisatie.

In Nederland loopt dat vaak via een register zoals het CRKBO, waarin opleidingsinstellingen en docenten worden opgenomen die aantoonbaar voldoen aan de Kwaliteitscode voor Opleidingsinstituten voor Kort Beroepsonderwijs, of via een keurmerk van een brancheorganisatie. Daarnaast hebben veel beroepsgroepen hun eigen puntensysteem voor bij- en nascholing.

Zo'n inschrijving is trouwens geen erkenning van jouw programma. Wat er wel aan vastzit, is fiscaal: een niet-wettelijk erkende beroepsopleiding kan vrijgesteld zijn van btw als ze wordt gegeven door een instelling die is ingeschreven in het CRKBO Register Instellingen. Geef je die opleiding online, dan geldt volgens de Belastingdienst dat onderwijs dat elektronisch, op afstand of online wordt gegeven alleen onder de vrijstelling valt als er interactie mogelijk is tussen leerkracht en leerling. Die interactie mag voorafgaand aan, tijdens of na afloop van de cursus plaatsvinden. Dat je cursus op afstand wordt gegeven, staat de vrijstelling dus niet in de weg. Laat je eigen situatie wel door je boekhouder of de Belastingdienst beoordelen.

Wat het platform wel moet kunnen, is aanleveren wat die partijen opvragen. Meestal gaat dat om:

  • wie er heeft deelgenomen, met naam en registratienummer;
  • hoeveel tijd of hoeveel uren er zijn besteed;
  • wanneer het is afgerond;
  • een certificaatnummer dat later te controleren is;
  • en dat alles in een bestand dat je kunt aanleveren, meestal csv of pdf.

Vraag dus niet "is uw platform geaccrediteerd", want daar krijg je een misleidend antwoord op. Vraag welke gegevens je eruit krijgt en in welke vorm.

Wanneer je bestaand materiaal moet kunnen afspelen

Koop je cursussen in bij een uitgever, of levert een opdrachtgever eigen materiaal aan, dan krijg je te maken met uitwisselstandaarden. SCORM 1.2 is de oudste en het meest ondersteund. SCORM 2004 kan meer bijhouden, zoals een apart onderscheid tussen afgerond en geslaagd. xAPI is nieuwer en kan ook activiteiten buiten het systeem registreren en cmi5 combineert de structuur van SCORM met de flexibiliteit van xAPI.

Niet elk platform speelt die pakketten af. Cursusplatforms die op zelfverkoop gericht zijn, kunnen het vaak niet. Systemen voor bedrijven bijna altijd wel. Als je weet dat je ingekocht materiaal gaat gebruiken, is dit een harde eis op je eisenlijst en geen wens.

Kies het laagste niveau dat volstaat

Elk niveau erbij kost geld, tijd en beheer. Een toetsmotor die je niet gebruikt, zit wel in je prijs. En een deelnamebewijs presenteren als iets dat ergens voor telt, is een belofte die je niet kunt waarmaken zodra iemand ernaar vraagt.

Weet je niet zeker op welk niveau je zit, loop dan de keuzehulp door. De vraag over wat er aan het eind uit moet komen, is daar de vraag die de uitkomst het sterkst stuurt.

Vindplaatsen

Gecontroleerd op 6 september 2026. Fiscale regels en registervoorwaarden veranderen, dus kijk voor jouw situatie bij de bron zelf.